Op 15 oktober valt de jaarlijkse Dag van de Boerin. Bovendien riepen de Verenigde Naties 2026 uit tot Internationaal Jaar van de Boerin. Twee goede redenen dus om enkele straffe landbouwsters aan het woord te laten: Hilde Vandeghinste, Ilse Santy, Katrien De Reycke, Marlies Vanluchene en Stephanie Labis.
Vijf wegen naar de boerderij
Hilde is een boerendochter die eerst een ander pad koos: “Ik werkte van 1984 tot 1989 als verpleegster op de dienst intensieve zorgen in Kortrijk. Na de geboorte van ons tweede kind, ging ik aan de slag op de boerderij van mijn man in het Ooievaarsnest in Bellegem.”
Ilse groeide zelf op op de Blauwkasteelhoeve in Aalbeke, de boerderij van haar vader. Ze studeerde bedrijfsadministratie en werkt vandaag nog altijd voltijds als boekhouder bij een woonmaatschappij. In 2016 namen zij en haar man Henk Claerhout het bedrijf van haar vader over. “Ongeveer 90 à 95 procent van mijn verlof gaat naar de boerderij. Dat is mijn ontspanning naast mijn job.”
Katrien kwam als jonge vrouw op de hoeve van haar eerste man in Rollegem terecht. Marlies leerde haar man op haar 19e kennen via de KLJ en rolde stap voor stap in zijn akkerbouwbedrijf. En Stephanie groeide op als vijfde generatie op Goed te Castaigneboom in Bellegem, een naam die al opduikt in documenten uit 1744. Zij zet samen met haar man het bedrijf van haar ouders verder.
Vele handen, vele taken
Wat een landbouwster doet, verschilt van bedrijf tot bedrijf, en ook elk seizoen is anders. Bij Stephanie ligt de nadruk op de dieren. Ze melkt de koeien tweemaal per dag, verzorgt de kalfjes van geboorte tot speentijd en registreert elk dier in Sanitel, de nationale veedatabank. Bewust kozen zij en haar man Kevin voor een nieuwe stal zonder melkrobot. “We zien onze koeien echt graag en zien ze ook graag nog eens van dichtbij, zo kunnen we dagelijks hun gezondheid monitoren.”
Ook Hilde blijft dagelijks actief: ze verzorgt de kalfjes, volgt de drachtige koeien op en vult dagelijks de aardappelautomaat in de Aubettestraat. “Wat mij het meeste tijd kost, is niet het werk met de dieren, maar het papierwerk: mestbankregisters, sproeistofregisters, Peppol …”
Bij Katrien is de rolverdeling door de jaren heen sterk geëvolueerd. Ze bouwde mee aan Rollies, dat uitgroeide van een gemengd bedrijf met vleesvee en varkens tot een pluimveebedrijf met 60.000 leghennen. “Ik volg ’s morgens en ’s avonds de bestellingen en de administratie op, maar mijn focus is verschoven naar het kinderdagverblijf dat ik naast de boerderij uitbouwde.”
Boerin én iets anders
Voor drie van de vijf dames stopt het niet bij de boerderij alleen. Ilse fietst elke dag een tiental kilometer naar haar job bij de woonmaatschappij, voor ze ’s morgens nog aardbeien plukt of ’s avonds in de hoevewinkel staat. Marlies geeft halftijds les in het derde leerjaar en is mama van vier kinderen. “Dus ik weet altijd wat gedaan”, lacht ze.
Stephanie werkt dan weer al ruim tien jaar bij Diergezondheidszorg Vlaanderen in Torhout. “Ik ondersteun er veehouders bij hun wettelijke verplichtingen. Al bouw ik die job nu wel af omdat de combinatie met de boerderij en mijn twee kleine zoontjes te zwaar wordt.” Die dubbele belasting typeert veel boerinnen: een eigen loopbaan of onderneming combineren met het ritme van een landbouwbedrijf, dat zich niets aantrekt van uurroosters of schoolvakanties.
Boerderij als bedrijf
Meerdere vrouwen benadrukken dat de boerderij vandaag vooral een onderneming is. “Bij het overwegen van grote investeringen kan de visie van de vrouw vaak interessant zijn omdat we een andere kijk hebben”, zegt Marlies. Precies daarom kiest het bedrijf er bewust voor om nooit alles op één teelt te zetten. “Met het huidige klimaat ga je bijvoorbeeld niet beslissen om je volledig op aardappelen toe te spitsen. Als dat dan tegenslaat, heb je een groot probleem.”
Er ligt een voelbare economische druk op Vlaamse landbouwbedrijven. Door de strenge Europese wetgeving ligt de productiekost hoger dan voor dezelfde producten uit niet-EU-landen, die nochtans naast elkaar in onze supermarkten liggen. De concurrentie is nooit gelijk. Ilse botst dan weer op wetgevende beperkingen: “Ons bedrijf ligt op de grens met Wallonië. Wij mogen geen mest van Vlaanderen naar Wallonië brengen, hoewel er in Vlaanderen een overschot is en in Wallonië net een tekort.”
Vechten voor plaats en gehoord worden
Wie in en rond een stad als Kortrijk boert, voelt de druk op de open ruimte toenemen. Hilde ziet grond die ze vroeger bijhuurde onder een verkaveling verdwijnen, en vreest dat plannen voor bijkomende bebossing nog meer landbouwgrond zullen kosten. Stephanie windt er evenmin doekjes om: een garantie op ruimte voor haar bedrijf en zijn 70 hectare grond vindt ze essentieel. “Dat is de angst die bij iedereen leeft”, zegt ze, wanneer ze het heeft over de wens naar bestaanszekerheid.
“Wij willen tonen aan de Kortrijkzanen wie we zijn en wat we doen”, klinkt het eensgezind. “Landbouw mag geen ver-van-mijn-bedshow zijn. We mogen best trots zijn op wat we doen en tonen dat we absoluut noodzakelijk zijn in de samenleving.”
Veerkracht
Het verhaal van Katrien toont misschien nog het duidelijkst hoeveel een boerin soms moet dragen. “Ik was pas begin dertig toen mijn eerste man overleed. Zes jaar lang zette ik de boerderij alleen verder, met twee jonge kinderen thuis. Als vrouw werd ik door dierenhandelaars soms niet ernstig genomen.” Toch bouwde ze het bedrijf stap voor stap om, van een veebedrijf tot het huidige Rollies met zijn 60.000 leghennen en rechtstreekse eierenlevering aan onder meer Delhaize en Carrefour. Naast de boerderij realiseerde ze ook haar eigen droom van een kinderdagverblijf, terwijl ze intussen drie keer tegen borstkanker vocht.
Ook bij Hilde zit doorzettingsvermogen in de kleine dingen: “Elk jaar opnieuw ontvangen we schoolklassen en leggen we geduldig uit dat uit één pootaardappel tien nieuwe groeien, of waarom een kalf soms bij de koe wordt weggehaald.”
De volgende generatie
Over wie hun werk ooit zal verderzetten, zijn de dames genuanceerd. Bij Katrien werken zoon Mathis en dochter Femke al mee in respectievelijk Rollies en het kinderdagverblijf. Bij Ilse hoopt de familie dat zoon Maxime ooit instapt, al ligt het vleesvee en de akkerbouw hem meer dan de aardbeien. Stephanie ziet haar oudste zoon, nog maar vier, nu al veel interesse tonen.
Marlies en Edward leggen hun vier kinderen niets op: “Belangrijker dan een opvolger vinden, is dat ze leren dat niets vanzelf gaat.” Bij Hilde is er voorlopig geen opvolger op de boerderij zelf, al ligt de bedrijfszetel dicht bij het landbouwbedrijf van haar dochter en schoonzoon in Moorsele.
Wat de vrouwen wel gemeen hebben, is hoop op een beleid dat hen ruimte en duidelijkheid geeft: “Want een ondersteunend beleid is absoluut noodzakelijk.”
In de kijker
Tegen de tijd dat de koffie koud wordt, is duidelijk dat dit vijf heel verschillende verhalen zijn: van boekhoudster tot melkster, van lerares tot ondernemer, van rouw en herval tot een nieuwe stal vol koeien of scharrelkippen. Toch klinkt bij allemaal dezelfde ondertoon door: “Het werk stopt nooit, het wordt zelden gezien, en toch zouden we niet anders willen.”