Historiek
Museum voor Schone Kunsten
Het museum voor Schone Kunsten is ontstaan uit de "Société pour l'encouragement des Beaux-Arts et de l'industrie à Courtrai". Deze vereniging opende in 1836 een museum in het gewezen woonhuis van de deken der Christenheid in de Begijnhofstraat te Kortrijk.
De "Société pour l'encouragement des Beaux-Arts et de l'industrie à Courtrai" groepeerde zich in 1856 met de "Société pour l'encouragement des beaux-arts et de la littérature". De fusie van de twee verenigingen bracht een nieuwe naam met zich mee, namelijk: "Vereeniging van kunstminaeren of liefhebbers der Schoone Kunsten". De verzameling schilderijen die de vereniging door de jaren heen had verzameld, werd in 1889 aan de Stad Kortrijk geschonken.
Omdat in de loop der jaren de verzameling alsmaar uitbreidde moesten de schilderijen wegens plaatsgebrek verhuizen naar het stadhuis. Enige tijd later was ook daar geen ruimte genoeg en vonden de schilderijen onderdak in de Grote Hallen.
In 1931 werd de verzameling overgebracht naar een patriciërshuis in de Rijselsestraat 51. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het museum voor Schone Kunsten gesloten. Het kon pas in november 1947 opnieuw zijn deuren openen voor het publiek.
Museum voor Oudheidkunde
Het Kortrijks Museum voor Oudheidkunde werd in 1879 opgericht en gehuisvest in de zuidelijke Broeltoren. Omdat die ruimte beperkt was, werd de verzameling naar de verdieping van de Grote Hallen overgebracht. Maar door de luchtaanval op Kortrijk van 21 juli 1944 werden de Grote Hallen gebombardeerd. De stukken die om veiligheidsredenen in de kelders van de Schouwburg opgeborgen waren, bleven gelukkig ongeschonden. De rest werd bijna volledig vernietigd. Na de oorlog gingen de stukken die de oorlog overleefd hadden naar een nieuwe locatie in het stadhuis.
Samensmelting
Na de oorlog was het duidelijk voor de stad Kortrijk dat er een degelijke oplossing gevonden moest worden voor de locatie van een stedelijk museum. Uiteindelijk besloot de stad in 1954 tot de aankoop van het huis Delplanque aan de Broelkaai 6. Nog datzelfde jaar werden de verzamelingen van het Museum voor Oudheidkunde en Sierkunst en van het Museum voor Schone Kunsten naar deze patriciërswoning. Het huis Delplanque dateert uit de 18de eeuw en werd door deze familie bewoond tot in 1954.
Huis Delplanque
Het huis Delplanque werd opgetrokken in classicistische stijl met interieurs in de stijl van Lodewijk XVI. In het begin was het stedelijke museum niet permanent open voor het publiek. Dat kon pas in 1959 na enkele aanpassingswerken. In 1961 werd de Bestuurscommissie van het Kunstpatrimonium van de stad Kortrijk opgericht. Al van bij het begin kaartte deze commissie het probleem van het nijpend plaatsgebrek in huis Delplanque aan. De museale verzamelingen waren te groot en de tentoonstellingsruimte te klein. Hun inspanningen vielen niet in dovemansoren want in 1969 besliste de stad om nieuwe gebouwen voor de uitbreiding van het museum in te richten. In 1970 waren de nieuwe plannen klaar.
Uitbreiding
Voor de uitbreiding van het museumcomplex kocht de stad Kortrijk in 1976 het torengebouw en de stallingen van de voormalige Brouwerij Tack. In 1978 werd een wedstrijd uitgeschreven voor een ontwerp van een volledig museumcomplex. De winnaar was de groep Planning van Brugge. Het ontwerp van de eerste fase van uitvoering van het nieuwe museumcomplex was klaar in 1981, het betrof ondermeer de restauratie van het gebouw langs de Taeyaertstraat en de Oranjerie. Met de uitvoering van de eerste faze nl. de nieuwe vleugel in de Taeyaertstraat, werd gewacht tot 1987-1988.
Omdat er niet alleen nood was aan museumruimte maar ook aan efficiënte kantoren, investeerde de stad in 1981 in de aankoop van het huis aan de Broelkaai 4. In dit huis heeft het secretariaat zijn vaste stek en vinden ook enkele deelcollecties een bewaarplaats.
Meer weten?
Wil je meer weten over de geschiedenis van het stedelijk museum Kortrijk dan raden we je volgende lectuur aan:
R. GOEMAERE, ‘De naoorlogse geschiedenis van de stedelijke musea te Kortrijk, 1945-1986.’ Kortrijk, 1996. D/1996/5057/3








